- A.
kwam uit Bussum. In zijn jeugd was hij regelmatig betrokken bij
knokpartijen in het uitgaansleven. Hij zou veel hebben gedronken en
gebruikte in die tijd ook cocaïne. Hij werd verdacht van
betrokkenheid bij zes roofovervallen, die hij vanaf 1987 pleegde,
waaronder een roofoverval op de Albert Heijn in Oosterbeek op 14 mei
1990. Er vielen twee doden bij de overval en een derde slachtoffer
bleef blijvend invalide. A. zou de buit hebben gebruikt voor o.a.
vakanties.
- In
het onderzoek naar de overval op de Albert Heijn in Oosterbeek zette
de politie een infiltrant in. Een lid van een pseudokoopteam van de
Amsterdamse politie opereerde op verzoek van de politie in Arnhem
zeven maanden lang, van mei tot en met november 1992, in de
gemeenschap van Jehova’s Getuigen. Hij sloot er vriendschap met A.
en ontmoette hem ook in zijn woning, die was voorzien van
audiovisuele opnameapparatuur. A. zou tegen de undercover agent
hebben gezegd dat hij ‘meerdere mensen had afgemaakt’.
- In
november 1992 stopte de undercoveractie omdat A. plotseling
via België naar Chili vluchtte. Op 28 mei 1993 werd hij daar op
verzoek van Nederland gearresteerd.
- In
november 1994 werd A. door Chili aan Nederland uitgeleverd, ondanks
dat er geen uitleveringsverdrag was tussen Nederland en Chili.
- A.
bekende op 9 januari 1995 voor de rechtbank de overval en betuigde
spijt.
- Op
4 april 1995 werd er 20 jaar cel en tbs met dwangverpleging geëist
tegen A. Volgens de officier van justitie was hij verminderd
toerekeningsvatbaar tijdens de overval.
- Op
18 april 1995 oordeelde de rechtbank dat de 29-jarige A. schuldig
was aan moord en poging tot moord, dubbele afpersing en een poging
tot afpersing. Hij werd tot levenslang veroordeeld. Volgens de
rechtbank was hij ten tijde van de overval niet verminderd
toerekeningsvatbaar. Ze
achtte hem schuldig aan tweevoudige moord en aan afpersing. Behalve
voor de overval in Oosterbeek stond hij ook terecht voor overvallen
in Hilversum, Baarn, Vreeland en Bussum. Aanvankelijk werd er hoger
beroep aangetekend, maar dat werd weer ingetrokken.
- Op 7 februari 1997 werd voor de rechtbank in
Arnhem de identiteit onthuld van een ‘anonieme getuige’ die
belastende verklaringen had afgelegd tegen alle drie de verdachten
van de roofoverval op de Albert Heijn in Oosterbeek. De man, R.K.,
was actief in het criminele milieu van Bussum, waarin ook A. en zijn
twee medeverdachten verkeerden.
- Vanwege
bedreigingen wilde de man aanvankelijk anoniem blijven, maar hij gaf
uiteindelijk toch toestemming om in aanwezigheid van de verdediging
en officier van justitie te worden gehoord. Volgens de getuige had
hij voorafgaande aan de overval drie gesprekken met A. gevoerd. Hem
zou zijn gevraagd om mee te doen aan de overval of om de vluchtauto
te rijden. Na de overval zou hij 4000 gulden zwijggeld van A. hebben
gekregen. De verklaringen van K. Werden door justitie niet helemaal
geloofd. Hij werd zelfs verdacht van meineed.
- Op
7 juni 1995 moest A. getuigen in de zaak tegen Piet B. Hij
verklaarde dat B. niet bij de overval was betrokken. Wie er dan wel
bij betrokken was, wilde hij niet zeggen.
- Op
15 juni 1995 zou A. Bobby aanwijzen als mededader van de overval.
|