Georganiseerde misdaad in Nederland

 
Een van de eerste vormen van  georganiseerde misdaad in Nederland  waren de zogeheten Bokkenrijders uit Zuid-Limburg in de 18e eeuw. De onderlinge banden in die bendes berustten vaak op banden van verwantschap en buurtschap. De kracht van de Bokkenrijders school voor een groot deel in de zwakte van de overheid. De verdeeldheid van politie en justitie belemmerde toen al de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Aan het einde van de achttiende eeuw werden door ondernemende aanvoerders vanuit lokale bendes grote roversbendes geformeerd. Een van deze bendes was de Grote Nederlandse Bende. Haar eerste tak kwam grotendeels in het voormalige Hertogdom Brabant tot stand, in 1789-1790, en wordt dan ook de Brabantse Bende genoemd (minstens 56 man sterk, voor het merendeel joden). Zij maakte haar bloeiperiode door in de jaren 1794-1796, maar viel in dit laatste jaar als gevolg van de arrestatie van een aantal belangrijke figuren uiteen. Een groot deel van deze bende vertrok hierop naar Zuid-Limburg, naar Meerssen, en vormde hier, samen met andere rovers, de tweede tak: de Meerssener Bende, waarvan de leden - in 1798 omvatte ze ook weer ruim 50 rovers - vooral in het Rijnland diefstallen en overvallen pleegden. Een van haar
hoofdmannen verplaatste in 1797 zijn activiteiten naar Holland, waar de steden Rotterdam en Den Bosch de uitvalsbases vormden voor de strooptochten van de zogenaamde Hollandse Bende in Zuid- en Noord-Holland, West-Brabant en de streek rondom Den Bosch. Wat later trok een andere hoofdman van de Meerssener Bende met zijn vaste kompanen ook naar Brabant - ook naar Den Bosch. Deze harde kern vormde het centrum van wat later de vierde tak van de Grote Nederlandse Bende is genoemd, de Noord-Brabantse Bende (1797-1799). Rond 1800 waren de grote roversbendes verdwenen. 
Over de misdaad in d 19e eeuw is niet zo veel bekend. Over de ontwikkelingen in de eerste helft van de twintigste eeuw is ongeveer net zoveel bekend als over de negentiende eeuw. In een stad als Amsterdam telde het centrum van de onderwereld, de penose, in die tijd al gauw enkele honderden personen. In steden als Den Haag, Rotterdam en Utrecht was zij waarschijnlijk wel wat minder omvangrijk. Deze stedelijke onderwereld werd door allerhande figuren bevolkt: inbrekers, oplichters, dieven allerhande, helers, pandjesbazen, opkopers, souteneurs, drugssmokkelaars, enzovoort. En zij kende ook rangen en standen. Een pakjesdief of kwartjesvinder kon zich niet meten met een hoteldief of een oplichter. De meeste achting genoten jarenlang de brandkastkrakers. Maar in de jaren dertig werd hun positie in het gedrang gebracht door "gangsters", mannen die naar Amerikaans voorbeeld gewapenderhand overvallen uitvoerden op postkantoren en bankinstellingen.
Het prostitutiewezen vormde in deze onderwereld het bindende element. Omdat het, ondanks een zekere concentratie op bepaalde plaatsen, heel de stad dooraderde. In Amsterdam bijvoorbeeld werden in de jaren dertig zo'n 1.000 "huizen van ontucht" geteld. Met andere woorden: het prostitutiewezen leverde als het ware de fysieke infrastructuur voor de onderwereld. De toenmalige onderwerelden vormden geen gesloten, lokale milieus. 
De criminaliteit werd, rond de Tweede Wereldoorlog, nergens anders in Nederland zo gewelddadig bedreven en tegelijk zo hardhandig bestreden als in Brabant. De strijd werd, zoals bekend, vóór de oorlog het hardst gestreden in en rondom Oss. De criminaliteit in Oss werd in het begin van de jaren dertig zo omvangrijk en zo gewelddadig, dat in 1935 werd besloten tot de "zuivering" van Oss door de marechaussee in samenwerking met de gemeentepolitie. De misdaden waaraan vooral een aantal Osse families zich schuldig maakten, gingen van eenvoudige kippendiefstallen en stroperijen, via allerhande vormen van mishandeling, tot inbraken, overvallen en brandstichtingen, dikwijls uitgevoerd met grof geweld tegen de slachtoffers. Een ander roemrucht oord was het kerkdorp St. Willebrord, ook wel "het Heike" genoemd, voor een deel bewoond door "Heikesmensen". En het waren deze laatsten waarom het in het nieuws van die dagen óók te doen was. Zij vormden de harde kern van de dieven, stropers en smokkelaars die in het Brabants-Belgische grensgebied rondspookten.
Kort na de Tweede Wereld oorlog was er Nederland en België aan van alles gebrek. Aan het eind van de jaren veertig, begin jaren vijftig, werd het vooral lucratief om boter en vee naar België te smokkelen. Op het einde van de jaren vijftig werden zelfs hele geprepareerde tankwagens met boter over de grens naar België gereden; een van de smokkelbendes zou in een bepaald jaar op twee maanden tijd zo rond de 340.000 kilo hebben
verhandeld. Vee, tot uit het Noorden van het land toe, werd op den duur in groten getale, om de douane te ontlopen, met schepen via de Hollandse en Zeeuwse wateren naar havens aan de Belgische kust getransporteerd. Rondom 1960 keerde dan het tij en werden massa's tabak en sigaretten via België naar Nederland gesmokkeld. De grootste bendes haalden hun sigaretten zelfs uit Amerika en lieten ze in het (Belgische) grensgebied door hele families - als betrof het een nieuwe vorm van huisnijverheid - inpakken voor de Nederlandse zwarte markt.
In de jaren zeventig stelde de politie vast dat de illegale handel in soft drugs voornamelijk in handen was gekomen van degenen die na de oorlog illegaal veel geld hadden verdiend met de smokkel van boter en vee. Deze smokkelaars hadden in de jaren zestig al vlug gezien dat met de handel in soft drugs nog veel meer geld te verdienen was dan met de gangbare smokkelhandel, en hadden zich in hoog tempo met al hun ervaring, hun
middelen en technieken, en hun relaties, op de hasjhandel gestort. Het ging voornamelijk om Brabantse smokkelaars. In de randstad waren een aantal figuren die men niet hoefde te leren hoe ze moesten smokkelen; die doken dus zelf, op eigen initiatief, de hasjhandel in. De Brabanders zochten in de Randstad de schepen en de schippers die ze nodig hadden om vanuit Pakistan, Libanon en Marokko grote partijen hasj naar Nederland en de omringende landen over te brengen; het transport hiervan kon niet met minder risico en meer gewin over de weg of door de lucht worden gerealiseerd. De hasjhandel werd in de loop van de jaren zeventig daardoor een soort co-productie van Brabantse en Hollandse smokkelaars. De Nederlanders kwamen in die jaren in contact met grote drugshandelaren uit Pakistan. De aankoop van grote partijen drugs, zelfs wanneer bepaalde risico's ten dele door de leveranciers worden gedragen, vergt echter een grote investering. Het gaat dan al vlug om (tientallen) miljoenen. De ouderwetse botersmokkelaars en alcoholstokers zouden dat geld niet hebben gehad volgens veel bronnen. Het geld zou afkomstig zijn uit bepaalde kringen van woonwagenbewoners. Die hadden in de jaren zestig en zeventig met diefstallen, inbraken en overvallen ontzettend veel geld verdiend en waren bereid dat in de drugshandel te investeren. En dit zou verklaren waarom een klein aantal zogenaamde
kampers grote delen van de groothandel in drugs, vooral hasj, in handen hebben (gehad).
In 1988 verscheen er een rapport van de Centrale Recherche Informatiedienst(CRI). Volgens dit rapport waren er in Nederland ongeveer 200 misdaadorganisaties actief. Dit rapport was gebaseerd op 5 criteria. In 1991 kwam er een rapport dat aan de hand van 8 criteria was opgesteld door de projectgroep misdaadanalyse van de Centrale Politie Recherche Commissie(CPRC). Er werden door de CPRC 600 misdadige organisaties geteld. Die criteria die zij hanteerden waren:
- Het bestaan van een hiërarchische structuur.
- Het toepassen van interne sancties.
- Het witwassen van illegaal verkregen geld.
- Het uitlokken van ambtenaren tot corruptie.
- Het begaan van meerdere conflicten.
- Het gebruik van dekmantelfirma's.
- Al langer dan 3 jaar actief.
- Het liquideren van onwelgevallige personen.
 
In 2002 verscheen een tweede rapport van de WODC (wetenschappelijk onderzoek -en documentatie centrum). Uit het onderzoek bleek dat de er in Nederland amper criminele organisaties voorkwamen met een strenge hierarchie, een taakverdeling, een gedragscode en een intern sanctiesysteem. In veel gevallen gaat het in misdaad in Nederland om criminele netwerken (samenwerkingsverbanden) waarbinnen daders in wisselende verbanden samenwerken. Binnen die netwerken spelen bepaalde personen, zoals financiers of organisatoren van transporten, een centrale rol omdat anderen afhankelijk zijn van hun hulpbronnen, zoals geld, kennis en contacten. Deze personen worden vaak ook in meerdere samenwerkingsverbanden waargenomen. Een andere belangrijke rol zou weggelegd zijn voor facilitators
Veel van de criminele samenwerkingsverbanden zijn gebaseerd op familie en vriendschapsbanden: bekenden werken samen met bekenden en introduceren elkaar weer bij anderen. Personen raken via hun sociale relaties betrokken bij criminele samenwerkingsverbanden. Ze raken op een gegeven moment steeds minder afhankelijk van andermans hulpbronnen en gaan dan weer hun eigen weg. 
In een inventarisatie van opsporingsonderzoeken in 2003 werden bijna 1900 verdachten geteld die betrokken waren bij georganiseerde criminaliteit.
Op 14 maart 2011 nam Petrus C. van Duyne, hoogleraar strafrechtpleging aan de Universiteit van Tilburg, afscheid. Bij zijn afscheid betoogde hij dat politie, justitie en politiek ten aanzien van de georganiseerde misdaad en het witwassen van crimineel geld altijd een dreigingsbeeld gecreëerd hebben dat helemaal los is komen te staan van de werkelijkheid. Van Duyne hield zich sinds eind jaren tachtig bezig met onderzoek naar georganiseerde misdaad. Volgens hem hebben er in Europa nooit syndicaten bestaan naar het voorbeeld van de Cosa Nostra, waarbij hij overigens twee uitzonderingen maakte: de Bruinsma-organisatie en de bende van de gebroeders Kray in Engeland in de jaren zestig.