De ontvoering van Alfred Heineken

Op woensdag 9 november 1983 ontvoerden 5 mannen biermagnaat Alfred Heineken en diens chauffeur Ab Doderer rond zeven uur 's avonds voor het kantoor van het bierconcern aan de Tweede Weteringplantsoen in Amsterdam. Heineken werd in een oranje Peugeot bestelbus getrokken. Zijn chauffeur die in een auto op hem zat te wachten, kwam hem te hulp. Hij kreeg een pak slaag en werd eveneens in de bestelbus getrokken. De bestelbus werd later teruggevonden op de Weesperzijde. Ook werden in de buurt van de plaats van de ontvoering twee UZI-pistoolmitrailleurs gevonden. 
De twee mannen werden naar een loods op industrieterrein De Heining in Amsterdam gebracht. In een loods waren daar achter een scheidingswand twee verborgen cellen gebouwd waarin Heineken en Doderer werden ondergebracht. Tijdens hun verblijf in de cellen waren zij meerdere malen geboeid aan de muur. De ontvoerders eisten 35 miljoen gulden in Nederlandse en buitenlandse valuta.
Het contact tussen de ontvoerders en de onderhandelaars van de politie verliep door middel van advertenties in de krant. Al op de avond van de ontvoering zelf namen de ontvoerders contact op. In het belang van het onderzoek wilde de politie geen mededelingen doen over de aard van dit contact. Het Heineken-concern gaf op 10 november aan dat het concern wilde ingaan op eventuele eisen voor losgeld. Volgens woordvoerder Elfrink was het bedrijf bereid een losgeld voor Heineken en Doderer te betalen. Het concern riep tevens de politie op om terughoudendheid te betrachten. 
Na een brief van de ontvoerders werden door het Heineken-concern en de politie vanaf 10 november geen mededelingen meer gedaan over de ontvoering. Ze gaven daarmee gehoor aan een eis van de ontvoerders. De brief werd in de brievenbus van de gemeentepolitie in Den Haag gegooid in de nacht van 9 op 10 november.
De codenamen die gebruikt werden in de advertenties waren Adelaar en De Haas en in een later stadium Uil en Muis. Een eerste afspraak om het losgeld aan de ontvoerders over te dragen, werd door de politie bewust niet nagekomen om tijd te winnen. In de nacht van 27 op 28 november 1983 werd het losgeld in postvakken overhandigd aan de ontvoerders. De zakken werden door de ontvoerders verborgen in ingegraven tonnen in een bosgebied bij Zeist. 
De ontvoerders hadden na de overdracht door dat ze achtervolgd werden door de politie. De politie zou een tip hebben ontvangen waarin de namen van de 5 ontvoerders zouden zijn genoemd. Twee van hen, Cor van Hout en Willem Holleeder, vluchtten direct naar Frankrijk. Twee anderen, Jan Boellaard en Martin Erkamps, werden gearresteerd en de vijfde ontvoerder, Frans Meijer, dook onder in Nederland. 
Op 30 november werd rond 05.40 uur een inval gedaan in de loods op De Heining, waar Heineken en Doderer werden gevonden. Er werden tevens invallen gedaan in een twintigtal woningen in Amsterdam, Heerhugowaard, Den Helder en Zwanenburg. Vierentwintig personen werden aangehouden (10 mannen en 14 vrouwen). Volgens de media waren daar drie hoofdverdachten bij en zou er op dat moment nog gezocht worden naar drie andere hoofdverdachten. Eén van de andere gearresteerde mannen zou volgens de media de vader van Willem Holleeder zijn geweest. Tijdens het onderzoek naar de ontvoering zou bij de politie steeds meer informatie zijn binnengekomen dat een groep rondde 31-jarige Zwanenburger J.C.B. (Boellaard) en de 51-jarige Amsterdammer J.K. op de een of andere manier bij de ontvoering betrokken was. Deze groep was in 1981 al eens met de politie in aanraking geweest. Ze behoorden toen tot een knokploeg die een kraakpand met geweld zouden hebben ontruimd. Diverse leden van deze knokploeg bleken bij de ontvoering betrokken te zijn. De groep kwam regelmatig bij elkaar in een timmerfabriek die in de loods op De Heining was gevestigd. Boellaard was eigenaar van de fabriek en K. de directeur. Tijdens de ontvoering zou de politie overigens bij een autosloperij naast de timmerfabriek hebben gezocht naar de vluchtauto van de ontvoerders. Uiteindelijk werd die auto in Joure teruggevonden. 
Veel van de gearresteerde vrouwen zouden al direct verklaringen hebben afgelegd en daardoor zou al snel duidelijk zijn geworden wat het aandeel van elke verdachte in de ontvoering was geweest. Martin Erkamps zou bovendien al snel hebben bekend.
Vijf van de gearresteerden werden op 1 december vrijgelaten en elf anderen op 2 december. Van de vijf op 1 december vrijgelaten personen was vast komen te staan dat zij niks met de ontvoering te maken hadden gehad. Wel behoorden zij tot de familie- en kennissenkring van Van Hout, Holleeder en Meijer.
Een rechercheteam vertrok op 2 december naar de Spaanse badplaatsen Fuengirola en Torremolinos. De politie zou aanwijzingen hebben gehad dat de drie voortvluchtige hoofdverdachten van de ontvoering in ieder in Spanje zouden zijn geweest. Zo zou Cor van Hout een huis in Fuengirola hebben gehad en had Rob G., die op dat moment gezien werd als een hoofdverdachte van de ontvoering, een woning in Torremolinos of Fuengirola.
Zes verdachten werden op 3 december voorgeleid aan de officier van justitie. Het zestal zou gerekend worden tot de harde kern van de ontvoerdersgroep. Onder hen zou zich ook de directeur van de timmerfabriek, J.K., hebben bevonden.  
Op 4 december 1983 vond de politie de tonnen met losgeld in de bossen bij Zeist. Niet al het losgeld was daar aanwezig. Een deel was meegenomen door Van Hout en Holleeder en Meijer verklaarde een deel te hebben verbrand. Uiteindelijk bleef ongeveer 8 miljoen gulden van het losgeld spoorloos. 
Op 28 december gaf Meijer zichzelf aan bij de politie. Hij had enkele dagen eerder al brieven verstuurd naar de Amsterdamse politie en Het Parool waarin hij spijt had betuigd en had aangegeven dat hij een strenge straf verdiende. De gehele tijd dat Meijer werd gezocht zou hij in Amsterdam een zwervend bestaan hebben geleid en zou hij geregeld onder bruggen hebben geslapen.
Van Hout en Holleeder werden op 29 februari 1984 in Parijs, Frankrijk gearresteerd. In het appartement waar de twee verbleven werd ruim een half miljoen gulden van het losgeld teruggevonden. Nederland verzocht om hun uitlevering. De Franse justitie stelde op 7 maart de beslissing over de uitlevering uit tot 21 maart. Dit zou onder meer komen omdat het uitleveringsverzoek nog moest worden vertaald. Op 28 maart maakten Holleeder en Van Hout bij de rechtbank bekend dat ze niet meer wilden meewerken aan een uitlevering aan Nederland. Dit betekende dat de Franse rechter moest beslissen of het tweetal tegen hun zin aan Nederland uitgeleverd mocht worden. Het hof van appèl besliste op 23 mei 1984 dat Holleeder en Van Hout aan Nederland uitgeleverd mochten worden.
De minister van justitie, Korthals Altes, trok op 5 december 1985 het uitleveringsverzoek in. Wel zouden de twee op de internationale opsporingslijst blijven staan zodat ze eventueel in een ander land gearresteerd konden worden. Het verzoek werd ingetrokken omdat de beide ontvoerders volgens de Franse wet alleen konden worden uitgeleverd op grond van schriftelijke bedreiging. De Nederlandse justitie wilde hen echter vervolgen voor afpersing en vrijheidsberoving waar veel hogere straffen op stonden. Omdat Frankrijk geen uitleveringsverdrag met Nederland op grond van ontvoering had, zou een dergelijk verzoek worden afgewezen. Als Nederland de afwijzing van de Franse regering had afgewacht, dan zouden de ontvoerders ook niet in andere landen vervolgd kunnen worden omdat iemand niet twee keer voor hetzelfde delict vervolgd mocht worden. 
Op 26 september 1984 begon het proces tegen Boellaard, Meijer en Erkamps. Er werd op 3 oktober tegen de eerste twee 16 jaar cel geëist en tegen Erkamps 10 jaar. Op 17 oktober 1984 werd Boellaard tot 12 jaar cel veroordeeld en Erkamps tot 9 jaar. Het vonnis tegen Meijer werd uitgesteld omdat hij eerst onderzocht zou worden in het Pieter Baan Centrum in Utrecht. Hij zag kans daaruit te ontsnappen op 1 januari 1985. Boellard en Erkamps gingen in beroep. Erkamp werd uiteindelijk tot 8 jaar veroordeeld en Boellaard tot 12. Meijer werd bij verstek eveneens tot 12 jaar cel veroordeeld. 
Op 6 november 1985 besliste Frankrijk dat Van Hout en Holleeder alleen aan Nederland uitgeleverd mochten worden voor schriftelijke bedreiging. Nederland trok daarop op 5 december het uitleveringsverzoek in en een dag later kwamen Holleeder en Van Hout vrij. Ze mochten echter niet gaan en staan waar ze wilden, maar werden onder huisarrest geplaatst. Op 13 februari 1986 vertrokken beide ontvoerders naar het Caribische gebied. Ze reisden daar enige tijd rond en zaten op meerdere eilanden en uiteindelijk keerden ze terug naar Frankrijk.
Inmiddels was er een Europees uitleveringsverdrag wat ook door Frankrijk en Nederland was getekend. Dit verdrag ging op 11 mei 1986 in. Op 19 mei werden Holleeder en Van Hout opnieuw gearresteerd in Frankrijk en op 31 oktober 1986 werden ze uitgeleverd aan Nederland. Op 19 februari 1987 werden beiden tot 11 jaar cel veroordeeld.
Martin Erkamps kwam medio 1989 als eerste weer vrij. Jan Boellaard, Willem Holleeder en Cor van Hout kwamen eind 1991, begin 1992 kort na elkaar vrij.