De organisatie van Piet S. en Jan O.

De organisatie van Piet S. en Jan O. werd op 9 april 1991 opgerold. Op 60 plaatsen in Nederland werden invallen gedaan bij leden van de bende die in enkele jaren tijd vele tonnen softdrugs Nederland binnensmokkelde. Er werden tientallen mensen aangehouden. Bij het oprollen van de bende werden 170 politiemensen, 25 rechter-commissarissen en 55 (hulp)officieren van justitie ingezet. 
Sinds 1988 deed een speciaal rechercheteam, onder de codenaam Sinis, onderzoek naar de organisatie. De organisatie was vooral actief in Den Haag en Rotterdam. Volgens het OM in Den Haag zouden de verdachten miljoenen hebben verdiend aan de smokkel van hasj uit het Midden- en Verre Oosten en Marokko. De drug werden verscheept in grote vrachtschepen om vervolgens voor de Nederlandse kust in kleinere vaartuigen te worden overgeladen.
De criminele winsten werden witgewassen in Luxemburg, Zwitserland en Nederland. Er werd geïnvesteerd in onroerend goed, auto's en projecten. In dat kader dook tijdens het onderzoek de naam op van een bungalowpark in het zuiden van Nederland. Bij het witwassen werd gebruik gemaakt van b.v.'s, clubs en personen als tussenschakel.
De zeer hechte organisatie zou een kern hebben van 6 leden. Daarnaast was er volgens justitie een 'tweede schild' van enkele tientallen personen onder wie financieel deskundigen, belastingadviseurs en beheerders van opslagloodsen.
Volgens de officier van justitie was het Sinis-onderzoek een voor Nederlandse begrippen unieke zaak. Zowel wat betreft de wijze als de lengte van het onderzoek. 
Eén van de zes hoofdverdachten werd niet op 9 april gearresteerd. Volgens de politie zou hij in de buurt van Den Haag rondzwerven. 
De politie verklaarde dat de bende bestond uit criminelen van een zwaar kaliber. Er zou sprake zijn geweest van een duidelijke taakverdeling, waarbij een 36-jarige verdachte uit Voorburg zich gaandeweg als leider opwierp. 
Ook Marco Eijk maakte deel uit van deze organisatie.