Gerrit Schutte
Schutte stond bekend als een hard figuur in de Amsterdamse onderwereld. Hij was exploitant van een berucht speelhol aan de Ruysdaelkade. Op 17 december 1958 schoot hij in dit gokhuis onderwereldfiguur Johannes “Dikke Hannes” P. dood. Hij beriep zich met succes op noodweer. Omdat er onder de nagels van Dikke Hannes velletjes huid van Schutte zaten werd geconcludeerd dat hij Schutte eerst had aangevallen. Er zouden echter ook aanwijzingen zijn dat Schutte de nagels van het slachtoffer zelf over zijn gezicht haalde, nadat hij de dodelijke schoten had gelost. Bij de schietpartij raakte ook Manke Toon K. gewond aan zijn arm. Hij was samen met Dikke Hannes naar het gokhuis gekomen.
Op 3 maart 1959 werd vier jaar celstraf geëist tegen Schutte voor de doodslag op P.. Volgens Schutte was P., samen met K., zijn gokhuis binnengedrongen om nog wat te gokken. Schutte zou dit geweigerd hebben en er ontstond een worsteling waarbij het pistool van Schutte afging. K. werd als getuige gehoord en hij bevestigde in grote lijnen het verhaal van Schutte. Schutte werd uiteindelijk tot anderhalf jaar cel veroordeeld voor de doodslag op P.. 
Een het eind van 1968 werd Schutte gearresteerd, samen met de garderobier Willem van H. Ze werden aangehouden in verband met de diefstal van een grote hoeveelheid verdovende middelen uit een pharmaceutische fabriek in Haarlem. Bij het onderzoek in deze zaak kwam aan het licht dat beide mannen de daders waren van de moord op caféhoudster Elisabeth (Tante Bet) Schevenhoven. Zij was in oktober 1956 spoorloos verdwenen. Haar lichaam zou begraven liggen in de duinen bij Bloemendaal. Schutte zou haar met een stuk ijzer de schedel hebben ingeslagen in de nacht van 16 op 17 oktober. Hij werd tot elf jaar cel veroordeeld voor de doodslag. Schutte legde een bekentenis af in deze zaak. 
In de nacht van 3 op 4 oktober 1969 ontsnapte Schutte uit het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Hij zat in het huis van bewaring in afwachting van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Bij zijn ontsnapping kreeg hij hulp van buiten. Met een pistool had hij bewakers bedreigd. Hij zou daarna met een touw over de 4 meter hoger muur zijn geklommen. 
Op 7 oktober 1969 werd één van de bewakers van het huis van bewaring door de rijksrecherche aangehouden. Hij werd ervan verdacht dat hij Schutte bij zijn ontsnapping had geholpen. 
Kort daarna werd een tweede bewaker aangehouden die bekende dat hij volledig op de hoogte was van het ontsnappingsplan van Schutte. 
Op 15 oktober 1969 werd Schutte gearresteerd in Amsterdam. De politie maakte direct na de arrestatie bekend dat Schutte had verklaard dat de bewakers hem niet hadden geholpen. Ook verdacht de politie hem van betrokkenheid bij de moord op C.W. Rosielle. Diens lichaam werd op 15 oktober aangetroffen. Schutte ontkende tijdens verhoren dat hij iets te maken had met de moord op Rosielle. Ook verklaarde hij dat het pistool waarmee hij uit het huis van bewaring was ontsnapt van plastic was. 
Op 18 oktober maakte de politie bekend dat een verband tussen de moord op Rosielle en Schutte uitgesloten werd geacht.
De procureur-generaal eiste op 22 oktober 1969 een celstraf van 20 jaar tegen Schutte voor de moord op Betje Schevenhoven. Schutte was zelf in hoger beroep gegaan tegen de 11 jaar celstraf die de rechtbank hem eerder had opgelegd.
Op 23 oktober 1969 bekende de 37-jarige cipier L.J.J, dat hij Schutte heeft geholpen bij zijn ontsnapping. Ook gaf hij toe dat hij een pakje in de cel van Schutte te hebben afgeleverd waarin mogelijk het pistool en de 40 kogels hebben gezeten.