De Workumer hasjbende.

Aan het eind van november 1997 kwam er bij de CID informatie binnen over een partij hasj dat zou zijn verborgen op de zolder van een garagebedrijf in Hindeloopen. Er werd een partij hasj van zo´n 1700 kilo aangetroffen. Naar aanleiding van deze vondst wordt een regionaal rechercheteam samengesteld, het zogeheten Poema-team, dat opereert vanuit Sneek. Op 24 december 1998 worden 4 opvarenden van het zeilschip Guerrero voor de Spaanse kust gered door een Nederlands marineschip. Hun zeilschip was bijna gezonken omdat ze te zwaar was beladen met hasj, zo'n 12.000 kilo. De Spaanse politie arresteerde de 4 Nederlandse opvarenden. De rechtbank in Leeuwarden diende bij de Spaanse autoriteiten een uitleveringsverzoek in. De uitlevering werd gevraagd op basis van overtreding van de opiumwet en deelname aan een criminele organisatie.
Aan boord van de WR 242 werd een partij hasj van 19.000 kilo aangetroffen. Op 23 december 1998 werd op de Noordzee, 200 kilometer ten westen van Den Haag, een partij hasj van 19.000 kilo onderschept. De partij was op dat moment net overgeladen van de zeesleper Canute op de viskotter WR 242 Onderneming.
In verband met die partij hasj werden 10 personen gearresteerd, onder wie een 47-jarige Brit en een 49-jarige inwoner van Workum, de hoofdverdachten in deze zaak. In totaal arresteerde de politie 38 personen in de loop van het Poema-onderzoek. Het Openbaar Ministerie (OM) beschuldigde de Brit en de Workumer van 4 henneptransporten, van in totaal 40.000 kilo, en het deelnemen aan een criminele organisatie. Naast de onderschepte transporten met de Guerrero en de Canute en de partij in Hindeloopen, zouden in september 1998 nog twee transporten met de Blue Spirit en de Judith plaats hebben gevonden.
Op 22 juni 1999 begon het proces tegen de Workumer en de Brit. Op de eerste dag van het proces besloot de rechtbank om de strafzaak aan te houden tot september. De Brit kwam na 6 maanden voorarrest op vrije voeten.
Op 20 september 1999 ging de rechtszaak verder. De advocaat van de Workumer, Kees Korvinus, hekelde de opsporingsmethoden die de politie zou hebben gebruikt in het onderzoek naar de handel en wandel van zijn cliënt. Volgens hem was het gebruik van observatieteams, camera's en peilzenders in de beginfase van het onderzoek een schending van de privacy van zijn cliënt. De bewijzen voor de betrokkenheid van de man zijn volgens Korvinus onrechtmatig verkregen en hij vroeg de rechtbank dan ook om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Dat verzoek werd afgewezen. Het OM eistte tegen de man een celstraf van 5 jaar. Op 21 september moest de Brit voor de rechtbank verschijnen maar hij kwam niet opdagen. Bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in juni was afgesproken dat hij zich wekelijks zou melden bij de politie. Dit had hij tot begin september ook gedaan. Zijn advocaat had ook geen flauw idee waar zijn cliënt zich bevond. Tegen de man werd 2,5 jaar cel geëist. Volgens het OM was de Brit een organisator die behoorde tot het middenkader van de criminele organisatie van de Workumer.
De rechtbank veroordeelde de Workumer en de Brit aan het eind van november 1999 tot respectievelijk 4 jaar en 2 jaar celstraf. De Workumer, de advocaat van de Brit en het OM gingen allen in beroep tegen de uitspraak.
Op 23 mei 2000 werd er in hoger beroep 4 jaar cel tegen de Workumer geëist. Aan het begin van juni 2000 werd hij tot 3,5 jaar veroordeeld. Hij tekende tegen die uitspraak cassatie aan bij de hoge raad.
Op 17 januari 2001 werd de voortvluchtige Brit opgepakt in Engeland.
In september 2001 maakte het OM bekend dat het zo'n 10 miljoen gulden zou vorderen van de Workumer. In september 2002 werd er uiteindelijk 2 miljoen euro van hem gevorderd. Als hij die niet zou betalen, zou hij 72 maanden de cel in moeten. De rechtbank veroordeelde hem in oktober 2002 tot het betalen van bijna 1,2 miljoen euro. Zowel het OM als de verdachte gingen tegen die uitspraak in beroep.
Tegen de Britse verdachte werd op 13 januari 2003 bij verstek 2 jaar celstraf geëist in de hoger beroepzaak. Hij was in het voorjaar van 2001 op borgtocht vrijgelaten in Engeland in afwachting van een beslising over het uitleveringsverzoek van Nederland. Op 27 januari 2003 werd hij tot 2 jaar cel veroordeeld.
Op 10 april 2006 beslistte het gerechtshof in Leeuwarden dat de Workumer ruim 1 miljoen euro moest betalen aan de staat.